Dolf Wagenaar

Schrijver

Het vervolgverhaal

In mei dit jaar, toen mijn boek net uit was, heb ik in plaats van een lancering een opdracht voor de lezer op mijn website gezet: van welk verhaal moest ik een vervolg schrijven? Van Florence van Hunsel (de fotograaf van de prachtige foto op de voorkant van mijn boek), kreeg ik de opdracht een vervolg te schrijven op De ontpopping. Mijn eerste gedachte was: dat is onmogelijk, gezien het einde van dat verhaal. Maar uiteindelijk kreeg ik toch een idee. Hieronder de uitkomst: een korte ‘komedie’.

De ontpopping – een epiloog

No one would have believed in the last years of the nineteenth century that this world was being watched keenly and closely by intelligences greater than man’s and yet as mortal as his own.

H.G. Wells – The War of the Worlds

Smeeta test haar benen op de zachte bosgrond. Ze houdt zich staande aan de bleke, kale takken en doet voorzichtig een stap. En nog een. Vandaag wordt ze volwassen, net als de andere meisjes. Na het lange wachten is ook hun huis eindelijk klaar. Moeder heeft de laatste dingetjes opgeknapt. Smeeta kijkt om zich heen. Een eekhoorn ligt roodbruin en dood op de verwelkte bladeren. Ze raapt het dier op met een van haar andere armen en proeft. Gatsie! Ze spuugt de botjes, de haren en al het zachte en natte uit. Moeder heeft beloofd dat ze nergens tekort aan zullen hebben, geen tekort aan eten of aan warmte of gas, zoals thuis.

Thuis. Dit is nu haar thuis. Boven zich ziet Smeeta een blauwe hemel en witte wolken. Het maakt haar aan het lachen. Het is prachtig. Voorzichtig zet ze nog een stap. Dan laat ze een voor een de takken los. Ze wankelt, maar staat. Nog een stap? Langzaam schuift een been naar voren terwijl de andere zich stevig in de grond proberen te verankeren. Maar de bladeren en de bosgrond bieden weinig houvast. Ze wankelt, maar valt pas wanneer achter haar een stem klinkt.

‘Smeeta, heb je de hemel hier al gezien?’

Smeeta krabbelt op via de takken om haar heen en werpt een geïrriteerde blik naar haar zus. ‘Natuurlijk, stomkop. Laat me nog eens zo schrikken en ik –‘

‘Meisjes, meisjes!’ Voor de zusjes staat Leena. ‘Geen gekibbel op deze mooie dag. Jullie zijn vroeg. We wachten tot iedereen er is en trekken dan naar de open plek.’

‘Ja, moeder.’

‘En houd op met proberen te lopen. Dat kan straks. Gebruik gewoon je vleugels.’

De zon staat laag wanneer de kinderen en moeder Leena op de weide staan. Het gras is nog bleekgeel, maar zal weldra verbrokkelen, net als alle andere dingen die nu nog op de grond staan of liggen. De eerste momenten zorgen voor het verdampen van het water uit de rommel, had moeder gezegd. De wind, het water en hun voeten zouden daarna zorgen voor defragmentatie. En dan zouden ze het stof gemakkelijk kunnen rematerialiseren en eten.

Smeeta weet dat het troep is, maar ze vindt het jammer als de dieren en dingen in dit huis verdwijnen. Ze hebben soms prachtige vormen. Straks wordt het toch weer wat saai met die blokken rematerie. Meer zoals thuis. Ze is verdrietig en blij tegelijk.

Wanneer de zon onder de horizon is gezakt, beginnen de meisjes hun vel af te werpen. De wind beroert hun nieuwe huid en nieuwe ledematen. Langer, sterker. Het ene na het andere meisje ontvouwt zich tot metershoge vrouw, al zijn ze nog niet zo groot als Leena. De vrouwen lachen en omarmen elkaar. Eindelijk vrij, eindelijk kunnen ze weer doen wat ze al zo lang niet meer konden. En deze keer zijn er geen mannen.

Smeeta loopt door de straten van de stad. Mensen – de dieren die hier eerst leefden en konden bouwen en maken – liggen her en der op de grond. Ook in de stenen blokken liggen ze nog. Smeeta raapt er een op. Het is zonde dat ze weg moesten. Konden ze er niet wat houden? Maar nee, in deze dieren leven andere dieren en die zijn nog gevaarlijk voor Smeeta en haar zussen.

‘Wil je dan ziek worden?’ Zei moeder als ze erover begon. ‘Dan sterven we straks allemaal. Deze mensen zijn net als mannen: gevaarlijk en nutteloos. En net als mannen zijn ze zo dom hun eigen huis te vernietigen. Gelukkig, dit keer.’

Leena had ze vanuit huis lang bestudeerd en toen hun zwakke plek gevonden: eigenlijk waren de mensen al bezig een huis voor hen klaar te maken. Leena had ze alleen een handje geholpen.

Smeeta haalt het dak van een huis en tuurt naar binnen. Wat een voorwerpen. Waar zou het allemaal voor geweest zijn? Ze voelt een wee gevoel in haar buik. Had het echt niet anders gekund? Waren deze dieren echt zo gevaarlijk en dom als mannen?

Ze weet nog dat ze verliefd was op Leemo. Zij was nog-weer vrij jong geweest. Hij was lief geweest en had haar eerst gevraagd of hij met haar mocht paren. Hij was voorzichtig geweest, had niet van haar gegeten, had haar na het paren gevraagd of hij vaker met haar mocht paren. Ze had geknikt. Andere mannen hadden niks gevraagd, wel van haar gegeten en haar ruw beschadigd bij het paren. Steeds meer mannen waren lui geworden, rematerialiseerden niks meer, ondanks de waarschuwingen van de vrouwen en enkele mannen. Een grote groep van voornamelijk vrouwen hadden het werk moeten doen van te-velen en hun huis was giftig geworden. Een grote groep mannen gaf de vrouwen de schuld en begon hen op te eten. Dat was het moment dat Leena haar kinderen recubeerde en naar een nieuw thuis begon te zoeken. Ze hadden ondergedoken gezeten tot Leena een nieuw thuis had gevonden en had uitgevonden hoe ze dit bewoonbaar kon maken.

Smeeta zet het dak weer op het huis. Ze zal nooit meer een man zien of nog paren. Volgens moeder is de lucht hier zo schoon dat ze hier in principe voor eeuwig kunnen leven. Smeeta breekt een stuk van een huis af en stopt het in haar mond. Het is wat hard, maar smaakt redelijk. Dan hoort ze een van haar zussen haar roepen. Ze gooit de rest van de muur op de grond en rent naar de stem.

Foto: Georges Seguin (Okki) – Own work, CC BY-SA 3.0, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=32826762

Slot – Octavie Wolters

Zojuist heb ik een recensie geschreven over het indrukwekkende boek Slot van Octavie Wolters. Volg de link (en lees haar boek)!

Een recensie en een roman

Sinds het verschijnen van Gepelde aarde (eigenlijk al iets daarvóór) zijn er aardige, korte recensies verschenen over mijn boek. Ze staan verspreid op Hebban, Goodreads, bol.com en dergelijke en zijn niet geschreven door grote, bekende recensenten, maar dat vind ik niet erg. Het is fijn om te lezen wat mensen van je boek vinden en zeker als daaruit blijkt dat ze het ook echt gelezen hebben. Gisteren kwam de tot nu toe meest uitgebreide recensie binnen.

Hanneke Tinor-Centi, literair agent en recensent, schreef op haar website een lovende recensie over mijn boek. Het meest negatieve was: ‘Hier en daar is er nog sprake van wat ‘ongeoefendheid’, maar dat is zeker niet storend; zeker niet voor een debuut.’ Ik vraag me af wat, zeg, een Rob Schouten zou zeggen van mijn boek. Zou dat ook echt zo lovend zijn? Misschien moet ik daar ook niet over nadenken, maar complimenten ontvangen is niet mijn sterkste kant; zelf ben ik nooit helemaal tevreden over wat ik schrijf (ook na tien keer herschrijven niet).

Maar de recensie voelt zeker eerlijk, en ik ben er dan ook echt blij mee. Opvallend vond ik haar laatste zin: ‘Wellicht moet Wagenaar zich de volgende keer aan een hele roman wagen zodat hij meer ruimte tot zijn beschikking heeft.’ Dat is namelijk precies mijn plan. Ik heb er zin in, maar zal moeten wennen aan een heel andere modus van schrijven: geen enkelvoudige korte verhaallijnen met een twist, maar meerdere uitgesponnen verhaallijnen en complexere spanningsbogen, meer personages, meer ontwikkeling. Korte verhalen dwingen je tot het weglaten van alles dat niet nodig is – de vorm van een roman geeft meer ruimte voor een uitgewerkt verhaal, maar ook meer ruimte voor te veel uitweidingen en te trage stukken.

Enkele keren ben ik tijdens een slapeloze nacht naar beneden geslopen om wat ideeën neer te krabbelen voor een nieuw verhaal. Een paar keer heb ik een beginnetje of een scène geschreven. Maar het is nu nog extreem vaag en ik weet nog niet welke kant het op gaat. Het boek, dat is er al lang, ik moet het alleen nog vinden.

Illustratie: hanneketinorcenti.nl

De eerste lezers

Gepelde aarde is nu een maand uit. Inmiddels is ook het e-book verschenen. Het voelt wat vreemd om nu de eerste reacties binnen te krijgen van lezers, terwijl ik zelf al een lange tijd niet meer inhoudelijk bezig ben met het boek. Ik had verwacht veel reacties in de trant van ‘goh, leuk hoor’ te krijgen, reacties uit beleefdheid dus die weinig zeggen over of de lezer het echt wel leuk vond en hoe zij/hij het boek werkelijk ervoer. Maar de praktijk is gelukkig anders.

Al zijn de reacties min of meer verschillend (de een houdt ook van wat vreemdere verhalen, de ander kan daar niet veel mee), ik merk wel bepaalde patronen op in de reacties. Deze reacties tonen aan dat de lezers met een deel van wat ik bewust in het boek heb gestopt ook bewust bezig zijn geweest tijdens het lezen. Daarbij is het niet het idee dat mijn boek een puzzel is die moet worden opgelost, maar dat de lezer over bepaalde ideeën gaat nadenken of bepaalde gedachten en sferen ‘ervaart’. Ik wil hier niet ingaan op waar dat dan precies allemaal over gaat, want ik wil graag dat de lezer dat zelf doet en iedereen op haar/zijn eigen manier daarover na kan denken of dit kan ‘ervaren’.

(Mijn excuses voor de aanhalingstekens, het is niet zweverig bedoeld, maar ik kan geen goed woord vinden voor wat ik bedoel. ‘Ervaring’ komt gewoon het dichtst in de buurt van wat ik bedoel; het synoniemenweb hierboven geeft in zijn geheel eigenlijk best aardig weer wat ik bedoel.)

Al hoopte ik erop dat lezers het boek als meer dan alleen ‘spannend’ zouden lezen – iets dat dus blijkbaar is gelukt – ben ik ook blij dat veruit de meeste lezers van wie ik tot nu toe een reactie heb gehad de schrijfstijl prettig vonden, de verhalen spannend en uitnodigend om te blijven doorlezen. Een enkeling vond de plottwists die in de meeste verhalen zitten overdone en verwarrend, maar eigenlijk vind ik ook dat niet eens zo erg.

Vanwege het hele coronagebeuren heb ik nog geen tijd en rust gehad om weer te gaan schrijven. Ik hoop dat ik mij binnenkort weer op het schrijven kan storten, want ik mis het erg.

Illustratie: synoniemen.net

Pel mee!

Het is zover: Gepelde aarde is uit.

En hoe zit het met de lancering? Feest, vuurwerk, interviews, live Q&A op Facebook, signeersessies en uitverkochte lezingen?

Nee. Maar wel iets anders.

Als beginnend schrijver (en zeker in coronatijd) verwacht ik geen mensen in de rij voor een signeersessie. Mijn hoofd, bewegend, op een al dan niet live videoscherm zal wellicht nachtmerries bezorgen bij de toeschouwers (wat op zich wel past bij mijn boek, maar toch). In plaats van dat alles heb ik na veel hersengekraak de volgende actie bedacht. En daar bent u, lezer, bij nodig.

  1. Koop mijn boek (of leen het van iemand, maar dat mag ik natuurlijk eigenlijk niet zeggen).
  2. Lees mijn boek (of doe alsof, maar ook dat mag ik natuurlijk eigenlijk niet zeggen).
  3. Kies een verhaal waarvan u wilt dat ik er een vervolg, prequel, spin-off of iets dergelijks op schrijf.
  4. Stuur mij een berichtje (bijvoorbeeld via Facebook, Twitter of het contactformulier https://dolfwagenaar.nl/over-dolf-wagenaar/ ) op basis van welk verhaal ik een nieuw verhaal moet schrijven (en eventueel op welke manier en/of andere wensen).

Na ongeveer een maand bekijk ik welk verhaal het vaakst is gekozen en schrijf ik het betreffende nieuwe verhaal. Dit verhaal zet ik op mijn website (met uw namen als u dat wilt als u voor dit verhaal had gekozen – anoniem is ook prima). Het is dus gratis voor iedereen te lezen.

Overigens heeft Uitgeverij Keytree Gepelde aarde verloot onder de Facebook-likers van de aankondiging van het boek. Het boek is vandaag gewonnen door Corinne Bruinstroop. Ook hier nog eens mijn felicitaties aan Corinne.

Op de afbeelding ziet u hoe ik gewoonlijk kijk als ik schrijf.

Foto: By Taromsky – Own work, CC BY-SA 3.0, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=82502240 (geschilderd door Carlo Dolci)

Nog één week

Over precies één week komt Gepelde aarde uit. Om de spanning te verhogen haal ik elke week een fragment uit het boek en vertel er iets bij. Vandaag het laatste fragment, uit het ‘symbolistische’ horrorverhaal ‘De indaling’:

Aan de rand van het dorp wachtten twee diepe sfinxogen de marskramer op. De lange gestalte van Hermes barricadeerde voor de tweede keer zijn pad. Pieterken hield zijn paard in.

‘Al opgegeven?’ zei de sfinx.

Pieterken wist niet of de poppenspeler de spot met hem dreef of dat de vraag was gesteld uit werkelijke interesse. Hij zei niets.

‘Houdt het verbod van de schout je tegen? Of het zware putdeksel? Of ben je bang dat het niet gaat om een dood beest? Ben je bang voor wat er onder de put huist?’

‘Ik moet verder. Ik heb in dit dorp niet veel geld verdiend. Er is hier niks meer voor mij.’ En na een pauze: ‘En hoe zou ik in mijn eentje moeten afdalen door dat gat?’

Hermes glimlachte. Hij klopte met een hand op de zak die naast hem lag.

Toen ik begon met het schrijven van ‘De indaling’ heb ik me vooral afgevraagd: ‘wat vind ik eng’ en ‘wat is angst’. Een put is eng (denk aan Ringu), pijn en het lichamelijke is eng (denk aan de zogenaamde ‘body horror’, zoals die van Clive Barker), een ongezien, dreigend onbegrijpelijk monster is eng (denk aan Lovecraft). Maar zoals dat gaat volgens de moderne filosofie en zelfs wetenschap: het subject is eigenlijk niet te scheiden van het object: angst is in eerste instantie de angst voor jezelf, de angst bén je zelf. In ‘De afdaling’ heb ik geprobeerd al schrijvende te onderzoeken wat die angst nu eigenlijk is, en hoe deze samenhangt met het mens-zijn en eigenlijk het ‘zijn’ in het algemeen.

Wellicht lees ik te veel verhalen van rond 1900, want toen ik stuitte op de definitie van het symbolisme op Wikipedia, bleek dat deels een mooie omschrijving te zijn van de verhalen die ik heb geschreven, met name het hier genoemde verhaal:

Het ontstaan van het symbolisme is te zien als een reactie op het rond 1850 dominante realisme en naturalisme in de kunst. Verbeeldingskracht, fantasie en intuïtie werden centraal gesteld. Het symbolisme kenmerkt zich door een sterke hang naar het verleden en een gerichtheid op het onderbewuste, het ongewone en het onverklaarbare. Het symbool stond daarbij centraal, en wordt een zintuiglijk waarneembaar teken dat verwijst naar een poort naar de niet-zintuiglijke wereld. De innerlijke, irrationele ervaringen worden belangrijk, met de nadruk op droombeelden en de dood. Vormen van machteloosheid, loomheid en decadentie roepen een sfeer op van onheilsverwachting en dreiging.

Met name de ‘vleeswording’ van het symbool maakt wellicht dat mijn verhalen (over angst en vervreemding) elementen van horror en magisch realisme en weird fiction in zich hebben. Het grootste verschil met het fin de siècle-symbolisme, is dat mijn verhalen niet ingaan op het occulte maar op een voor mensen ongrijpbare maar toch voelbare dreiging, eerder in de richting van het absurdisme en Lovecrafts cosmicisme. Verder is er lang niet altijd sprake van een ‘hang naar het verleden’ in mijn verhalen.

Ik heb soms de neiging mijn eigen verhalen te willen verklaren of te duiden, maar als ik iets heb gemerkt is het wel dat verhalen vooral zichzelf schrijven. Zoals Haruki Murakami al zei: in een verhaal zit meer dan de schrijver er bewust in heeft gestopt en het is uiteindelijk de lezer die het verhaal maakt. Ik heb het boek geschreven, nu is het de beurt aan de lezers.

Foto: Public Domain, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=884129

Een bericht tussendoor: de verkoop van het boek

Nu de lancering nadert, krijg ik steeds vaker de vraag waar en wanneer Gepelde aarde kan worden gekocht. Hieronder wat praktische informatie over de verkoop van mijn boek.

Waar en wanneer

Het wanneer is makkelijk: vanaf 29 mei is het boek te koop via de webshop van mijn uitgever (geen verzendkosten!) – als u dat doet is dat fijn voor mijn uitgever Arno van den Kieboom, en ik vind dat dan weer fijn voor hem. (Zo gaat dat.)

U kunt het boek ook kopen via of in uw lokale boekwinkel, dat is dan weer fijn voor de lokale economie, bijvoorbeeld in de vorm van mijn bevriende ‘kleine tovenaar’ Nicole Kleinen op wiens bovenkamertje ik het boek heb geschreven.

Ten slotte kunt u Gepelde aarde kopen via de meer gangbare webshops, zoals bol.com, maar ik vind het fijner wanneer het boek op een van de twee hiervoor genoemde manieren wordt gekocht.

E-bookversie en nog wat

Een korte tijd na de lancering kan Gepelde aarde worden gekocht als e-book (epub), daar verdien ik zelf wat minder aan, maar als dat een oplossing voor de lezer is, heb ik daar zeker geen moeite mee.

Hoe dan ook – ik ben zelf vooral blij als het boek gelezen wordt en de lezer het leuk vindt (of niet, maar er bijvoorbeeld over gaat piekeren of het gebruikt als worst case wanneer zij/hij zelf gaat schrijven).

Ik weet nog niet hoe de lancering zelf vorm krijgt. Dat zal ik te zijner tijd nog bekend worden gemaakt op deze website en de daaraan verbonden sociale media.

Nog twee weken…

Over precies twee weken komt Gepelde aarde uit. Om de spanning te verhogen haal ik elke week een fragment uit het boek en vertel er iets bij. Vandaag het vierde fragment, uit het gothic horrorverhaal ‘De opening in het huis nabij Chaton’:

De zolder was groter dan het er van buiten had uitgezien. Dat moest komen door de enorme hoogte ervan: wat ik had gehouden voor twee verdiepingen vormden er in feite maar één. En dit was niet zomaar een verzameling curiosa, dit was een museum en bibliotheek uniek in zijn soort. De werken, artefacten en instrumenten moesten samen een astronomische waarde hebben. Ik zal niet uitweiden over wat ik daar zag – een leek zal het niet kunnen appreciëren, vrees ik – maar het maakte een diepe indruk op mij. Ik vroeg Simiau hoe hij aan al die spullen was gekomen. Hij glimlachte geheimzinnig, maar gaf geen antwoord. ‘Kom,’ zei hij, ‘het is lunchtijd. Ik zal je voorstellen aan mijn vriend.’

De oorspronkelijke gothic novels gaan in hun kern over het verval van de aristocratie (verbeeldt door ruïnes, geesten en zonderlinge figuren) en de komst van een nieuw tijd (nieuw als in wetenschappelijke en technologische vooruitgang en urbanisatie van de gegoede burgerij). Ze vormen in die zin een brug van de oudere ghost stories naar de werken rond 1900 die nog veel meer ingaan op wetenschap (vaak als gevaar of verknoopt met de dan opkomende relativiteitstheorie) en het dan erg populaire spiritisme (ontstaan door de combinatie van wetenschappelijke vooruitgang, en de zoektocht naar het wezen van geest en lichaam).

Veel van de latere horrorverhalen – denk bijvoorbeeld aan The Magic Cottage van James Herbert – hebben die beelden van ruïnes, landhuizen, woeste natuur, geesten en waanzinnige geleerden gehandhaafd, al ging het dan meer om traditie, sfeer en het scheppen van verwachtingen en vaak niet meer om de oorspronkelijke symbolische betekenis ervan.

In ‘De opening in het huis nabij Chaton’ heb ik die sfeer proberen te behouden, maar het ook proberen te combineren met klassieke (Lovecraftiaanse) én moderne ‘weird’-elementen die passen bij mijn bundel als geheel. Het is dan ook een van mijn meer traditionele verhalen en naar ik hoop ook gewoon spannend.

Uiteraard heeft het landhuis uit dit verhaal niet alleen een zolder, maar ook een kelder en bijzondere bewonertjes…

Foto: Haslemere Educational Museum, CC BY-SA 4.0, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=87024316

Nog drie weken… maar eerst even Elder Sign

Over precies drie weken komt Gepelde aarde uit. Om de spanning te verhogen haal ik elke week een fragment uit het boek en vertel er iets bij. Deze week sla ik het fragment echter over (volgende week wel weer!), maar geef ik een welgemeende tip: Elder Sign van Claytemple Media.

Elke schrijver heeft inspiratie nodig. Ik haal mijn inspiratie onder andere uit mij eigen leven, uit muziek (ook tijdens het schrijven), maar natuurlijk ook uit de romans en verhalen van andere schrijvers. Ik heb in 2014 een leesclub opgericht waarin we wereldklassiekers lezen en bespreken. Maar daarnaast heb ik een specifiekere literatuursmaak: weird fiction. Ik ben al heel lang liefhebber van H.P. Lovecraft en daarvoor las ik al alles van Edgar Alan Poe. Iets later las ik ook de moderne weird fiction (ook wel new weird genoemd) van Thomas Ligotti. Een boek van S.T. Joshi over weird ficiton maakte me nog enthousiaster en ik begon ook Arthur Machen te lezen en Lord Dunsany.

Mijn leesclub is leuk, maar ik wilde graag meer gestructureerd aan de slag met het lezen van en zeker ook óver weird fiction, en toen stuitte ik – ruim een jaar geleden – op een van de letterkundige podcasts van Claytemple Media: Elder Sign. Deze was toen nog maar net opgestart, dus ik kon het goed vanaf het begin volgen (ik doe graag alles van begin tot eind). Het was voor mij een goede uitkomst om meer gericht bezig te zijn met weird fiction en tegelijkertijd met mijn eigen schrijven.

Claytemple Media is eigenlijk een cluster van literaire podcasts met onder andere podcasts over Gene Wolfe, Neil Gaiman, Star Trek, speculatieve fictie, mediëvistiek en dus ook over weird fiction: Elder Sign. De gastheren zijn G.L. McDorman, schrijver en verbonden als mediëvist aan Princeton University, en Brandon Budda, schrijver, filosoof en Anglicist, die beide hun kennis en kunde inzetten voor een zeer grondige bespreking van steeds één weird verhaal van bekende schrijvers (meestal uit de hoek van weird, horror of SF). Zo’n aflevering duurt ongeveer een uur, waarbij aspecten als verhaalstructuur, de bedoeling van de schrijver, filosofie, historische context en de verhouding met andere schrijvers en teksten aan bod komen. Sommige verhalen vergen twee afleveringen en soms is er een thematische aflevering, bijvoorbeeld over weird in strips of de rol van psychiatrie in weird fiction.

Waarom ik Elder Sign zo fantastisch vind en zo belangrijk voor mij als schrijver:

  • Vóór elke aflevering lees ik het betreffend verhaal (de oudere verhalen staan meestal gratis op internet omdat hun rechten zijn verlopen, andere verhalen zijn vaak goedkoop tweedehands te vinden). Ik lees zo ook al die schrijvers binnen en rond het genre weird fiction die ik al zo graag eens wilde lezen. Enkele behandelde schrijvers, zoals Stephen King en Ray Bradbury, zijn overigens geen ‘weird schrijvers’, maar maken er soms uitstapjes naar. Het lezen leert mij al die schrijvers te kennen en inspireert me voor mijn eigen werk.
  • De aflevering zelf luister ik daarna aandachtig alsof het een hoorcollege is (dat is het eigenlijk ook, al worden er ook veel vragen opgeworpen voor verdere discussie). Daarbij maak ik aantekeningen, vooral als het gaat om goede of slechte punten betreffende het schrijfproces, de stijl of structuur. Het is al met al erg leerzaam voor mij op het gebied van letterkunde, filosofie (het nadenken over de betekenis van ‘weird’) en – niet onbelangrijk – het schrijven zelf.
  • Na het beluisteren lees ik op het bijbehorende forum op internet de bijdragen van andere luisteraars of voeg zelf een bijdrage toe, waarna wij (de forumleden en de twee gastheren) vaak enige tijd met elkaar verder in discussie gaan over het verhaal en wat daarbij ter sprake kwam. Dit interactieve aspect maakt het helemaal af – samen komen we vaak tot verrassende conclusies en soms zelfs tot (kleine) letterkundige ontdekkingen!

Mensen die houden van weird, van genrefictie (horror, SF, detective…) en de emancipatie daarvan, van letterkunde in het algemeen of van de wat duisterdere kanten van filosofie en geschiedenis, raad ik allemaal aan deze podcast eens te proberen.

Links:

Claytemple Media

Elder Sign podcast (ook op Spotify te vinden)

Elder Sign forum

G.L. McDorman

Brandon Budda

Nog vier weken…

Over precies vier weken komt Gepelde aarde uit. Om de spanning te verhogen zal ik elke week een fragment uit het boek halen en er iets bij vertellen. Vandaag het derde fragment, uit de absurdistische/magisch realistische thriller ‘De teen’:

Dolf kijkt de slaapkamer rond. De wandklok tikt. Zijn kleine bed slaapt nog. De wanden zijn weer sereen wit. Zijn Ikeakasten staan op een rij – er is geen houten kast, zelfs geen muurkast, alleen pleisterwerk met daarachter een moderne binnenmuur, waarachter op dit moment luidruchtig burengesnurk te horen is. Even flikkert een herinnering aan een andere droom op in zijn hoofd – hij ziet iets ontstellends door een microscoop. Maar het volgende moment twijfelt hij en dan is de gedachte voorgoed uitgedoofd. Er stroomt nog steeds adrenaline door zijn lichaam, waardoor hij sneller dan normaal is gewassen en aangekleed. Met vóór zich een kop winkelmerkkoffie overpeinst hij zijn leven als vrijgezel.

In mijn verhaal ‘De teen’ heb ik geprobeerd al schrijvende thema’s als de grens tussen het werkelijke en het onwerkelijke, angst, vervreemding en perspectief te combineren. Mijn inspiratie kwam daarbij onder andere uit werken als Se una notte d’inverno un viaggiatore (Engels: If on a winter’s night a traveler) van Italo Calvino – niet alleen wat betreft het postmoderne plot, maar ook het gebruik van humor en ironie daarbij.

In bovenstaand fragment wordt de hoofdpersoon wakker na een nachtmerrie (of beter: een nachtangst en slaapverlamming). De overgang van droom naar realiteit vind ik zelf een van de meest vervreemdende ervaringen – heel even leef je in twee werelden tegelijk. Daarbij zijn dromen zelf nog steeds onbegrijpelijk voor ons: wat in ons hoofd maakt opeens zulke fantastische verhalen waarin de dromer de vreemde logica van de droomwereld accepteert? Komen dromen en droomangsten voort uit onze psyche (gedachten, ervaringen) of zijn het min of meer onafhankelijke ‘memen’ die ontstaan uit de (achtergrond)ruis in onze hersenen?

Soms doen dromen werkelijker aan dan de wakende werkelijkheid. Mijn eigen angstgevoel tijdens nachtangsten en slaapverlamming zijn in elk geval grandioos veel groter dan de angst als ik wakker ben – of misschien is het een geheel ander, extreem intens gevoel dat niet bestaat tijdens het waken. (Trouwens, in dromen kun je steeds weer sterven – in het leven slechts één keer.) Ik vraag me soms oprecht af of de ‘droomwerkelijkheid’ op een bepaald niveau niet (fenomenologisch, niet ontologisch) echter is dan de realiteit of in elk geval even echt.

Mij uitleggen hoe synapsen en neurotransmitters en -hormonen tijdens de slaap werken, laat me niet anders hierover denken. Zoals Camus het paradoxaal genoeg zei: ‘Ik begrijp nu dat al kan ik de verschijnselen wetenschappelijk vatten en opsommen, ik daarom de wereld nog niet kan begrijpen.’ En het hoeft ook niet: een begrepen wereld zou slechts in het niets verdwijnen – een niets zoals Michael Ende dat monumentaal heeft neergezet in zijn Oneindige verhaal.

En de teen uit het verhaal: is die er nu echt of niet? (Of is dat misschien de verkeerde vraag?)

Illustratie: Odilon Redon – https://clevelandart.org/art/1926.277, CC0, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=77919435

Page 1 of 2

Mogelijk gemaakt door WordPress & Thema gemaakt door Anders Norén