Dolf Wagenaar

Schrijver

Nog vijf weken…

Over precies vijf weken komt Gepelde aarde uit. Om de spanning te verhogen zal ik elke week een fragment uit het boek halen en er iets bij vertellen. Vandaag het tweede fragment, uit de psychologische thriller ‘en Mephisto zwijgt’:

‘Hier,’ gebaart de kleine Maarten. De twee kinderen slaan een bospad in. Het pad wordt geleidelijk aan een wildpaadje en eindigt hopeloos in een bosschage van rododendron en lijsterbes. Het is een grens, een drempel, begrijpt Johanna. ‘En het moet.’

Het motto bij dit verhaal is een songtekst van de band Dark Dark Dark: ‘Oh, I’m searching, With only the wind whispering / Oh, if you knew what it meant to me / You would see, too / Oh the unspeakable things’.

Heel soms zijn er momenten dat een stukje van de wereld lijkt los te komen en tot je spreekt, op een magische manier. Alsof je een blik krijgt op een geheime wereld die daadwerkelijk bereikbaar is. Het is een gevoel, maar daarmee niet minder waardevol. Als kind sprak ik al met bomen en dieren, soms met levenloze stenen, dingen. Natuurlijk wist ik toen ook al best dat het allemaal niet echt was, zoals een kind best weet dat zijn pop niet leeft. Misschien is het een manier van escapisme, een gevoel om je (even) uit de bestaande wereld te wensen. Toch is dit ‘beloofde land’ niet altijd zo paradijselijk. In mijn geval was het vaak onverbiddelijk neutraal, heel soms toverachtig mooi, soms dreigend als een verschrikkelijk noodlot.

Als kind maar ook later waren zulke onaardse ervaringen voor mij vaak verbonden aan bossen en bosranden. In de bossen waar ik liep waren soms bewoningsresten zichtbaar, alleen zichtbaar voor wie ervaring heeft met ruïnes of plekken die vroeger bewoond waren: de aanwezigheid van rododendron en lijsterbes, stinzenplanten, stukjes dakpan of tegels nauwelijks zichtbaar in de strooisellaag. Deze plekken intrigeerden me enorm. Soms waren deze plekken viezig en dreigend, soms juist feeëriek. Hoe dan ook, een stap in zulke ruimtes was alsof ik een drempel over ging – en alsof er iets van me werd verwacht.

Foto: Stathis floros – Own work, CC BY-SA 4.0, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=78993321

Nog zes weken…

Over precies zes weken komt Gepelde aarde uit. Om de spanning te verhogen zal ik elke week een fragment uit het boek halen en er iets bij vertellen. Vandaag dus het eerste fragment, uit de magisch-realistische thriller ‘De ontdekking’:

Die auto, denkt Teun, komt ergens vandaan. Als ik nu die auto achterstevoren volg, weet ik waarvandaan en hoe hij daar wordt gemaakt. Dan kom ik bij een fabriek. Dan wacht ik in die fabriek, en als er een onderdeel binnenkomt, ga ik dat achterstevoren volgen en kom ik weer bij een fabriek. Als ik dan zo doorga, kom ik achter het geheim van de auto. En dat alles kan ik ook doen voor alle andere dingen: boeken, baby’s, bananen.

Twee dingen die me altijd bezig hebben gehouden:

1) We nemen altijd van alles aan over de werkelijkheid, terwijl we het grootste deel daarvan nooit daadwerkelijk zeker weten of uitzoeken. Natuurlijk is het onmogelijk alles uit te zoeken en hoeft dat natuurlijk ook niet. Maar het blijft intrigerend. Ik ben bijvoorbeeld nog nooit in een autofabriek geweest. Filmpjes over autofabricage heb ik wel gezien, maar dat kan ook trucage zijn. Het is zeer waarschijnlijk dat auto’s uit een fabriek komen, ik ga ervanuit. Maar wat als de werkelijkheid toch anders is?

2) Kleine kinderen leven nog in wat psychologen een ‘magische’ werkelijkheid noemen. Zij denken nog niet helemaal rationeel. Voor hen bestaan de monsters onder het bed gewoon. Onwaarschijnlijkheid is voor kleine kinderen geen reden om iets als onwerkelijk aan te nemen. Zij hebben minder ervaringen dan grotere kinderen en volwassenen, en dus ook minder referenties om een werkelijkheidswereld te vormen. Waar volwassenen de dingen zomaar aannemen vanwege waarschijnlijkheden en veralgemeniseringen, nemen kleine kinderen de dingen aan omdat ze het tegendeel ervan niet zien.

In mijn verhaal ‘De ontdekking’ zijn deze twee ideeën belangrijke ingrediënten. De jonge Teun zal voor ons uitzoeken hoe de werkelijkheid in elkaar zit.

Foto: UNESCO / Dominique Roger, CC BY-SA 3.0-igo, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=81871777

De cover van Gepelde aarde is klaar!

Iets waar ik lang naar heb uitgekeken: de cover van mijn eerste boek is er en daarmee wordt het boek opeens een stuk concreter. De foto op de voorkant, een laan in het Italiaanse Erice, is gemaakt door Florence van Hunsel, die ik bij dezen nog eens heel hartelijk bedank. De foto heeft voor mij precies de goede gevoelswaarde voor het boek. Geen mensen erop, dat vond ik ook belangrijk. Eerder schreef ik dat Octavie Wolters voor de coverillustratie zou zorgen, maar dat kon helaas niet doorgaan. Arno van den Kieboom, mijn uitgever, heeft gezorgd voor de opmaak. Bedankt Arno! De flaptekst is van mijzelf.

Titel, publicatiedatum, cover… en iets over POD

Het contract met Keytree is getekend! Heel fijn, want er wordt nu steeds meer duidelijk en definitief en ik kan mij weer – op een andere manier dan eerst – bezighouden met het boek.

Eerst de titel. Mijn laatste werktitel is nu ook de uiteindelijke titel geworden: Gepelde aarde. Ik laat het graag aan de lezer om deze titel te interpreteren. Er is ook een ondertitel. Zoals te lezen was in een eerder bericht op deze pagina, heb ik gestoeid met het genre van de verhalen. Om de juiste verwachtingen bij lezers te scheppen en om het juiste lezerspubliek te krijgen, heb ik toch besloten om als ondertitel te gaan voor ‘weird fiction’. Het leek me ook wel aardig, omdat bij mijn weten niet eerder een Nederlandse weirdfictionbundel is verschenen. Of het werkelijk gaat om weird fiction, mag van mij best ter discussie staan – als de lezer het liever horror of magisch realisme noemt, of iets anders, vind ik het ook prima.

De publicatiedatum is nog niet bekend, maar wel ongeveer. Als alles normaal verloopt, zal het boek eind mei verschijnen.

En dan de cover. Ik ben heel trots en blij  dat auteur en illustrator/tekenaar Octavie Wolters bereid is om een illustratie voor de cover te leveren! Zie haar website voor haar laatste werk. Ze is de auteur van de in 2016 bij Ambo/Anthos verschenen prachtig verstillende roman Voorland.

boekenprinters

Mijn uitgever is, zoals eerder al genoemd, Uitgeverij Keytree. De samenwerking is tot nu toe erg goed. Anders dan ik eerder dacht, doen ze wel degelijk ook aan pr. Mijn boek wordt uitgegeven als een zogenaamde ‘print on demand’-boek (POD)* en als e-book.
Ik merk nu dat sommige mensen nog wat huiverig zijn als het gaat om POD-boeken (tegenover gedrukte boeken). Dat heeft blijkbaar te maken met het feit dat de boeken er soms kwalitatief minder mooi uitzien. Daarbij is POD een methode die wordt gebruikt door schrijvers die in eigen beheer uitgeven en door kleine uitgeverijen (zoals Keytree). Dit zou dan ook de inhoudelijke kwaliteitsgarantie minder maken. Bekende POD-uitgeverijen als Boekscout en Free Musketeers zouden daarbij nog eens slechte contracten opstellen, wat de naam van POD ook geen goed gedaan heeft. Ik heb er echter het volste vertrouwen in mijn uitgever en ben tevreden met mijn keus op dit gebied. De uitgever geeft mij veel vrijheid, maar neemt me ook serieus, wat ik zeer waardeer.
Er zitten overigens veel voordelen aan POD (zoals bijvoorbeeld hier te lezen is). Ook het Centraal Boekhuis, waar ook mijn boek zal worden geregistreerd, propageert deze methode, bijvoorbeeld voor beginnende schrijvers. Het is onder meer niet nodig eerst een oplage in te schatten: de vraag bepaalt grotendeels hoeveel er wordt geprint – geen voer voor de ramsj en papierversnipperaar dus, mocht het allemaal minder goed lopen. Mijn boek zal met name te koop zijn via internet, bijvoorbeeld in de webshop van de uitgever. Het krijgt een ISBN-nummer, dus ook op andere plaatsen bestellen is mogelijk (zoals bij uw lokale boekverkoper en bol.com). En de kwaliteit is in veel gevallen, zeker tegenwoordig, nauwelijks minder dan die van een gedrukt boek.

Maar ja, ik hoop toch dat het vooral om de inhoud gaat bij mijn boek – daarvoor heb ik het immers geschreven: voor de lezer en voor mezelf.

*) Op de foto zie je boekenprinters. (Foto: Davidmorgans – Own work, CC BY-SA 4.0)

Rock should not walk in the evening

Drie weken geleden waren alle proeflezers klaar en schreef ik de laatste, definitieve versie van mijn verhalenbundel. Ik was eigenlijk langer bezig met de volgorde van de verhalen dan met het laatste redigeerwerk en haalde zelfs nog een verhaal weg en verving het door een vers geschreven verhaal. Twee weken geleden was het klaar en stuurde ik het manuscript naar mijn uitgever. Gisteren waren ze klaar met lezen en gaven officieel groen licht: het wordt uitgegeven!

Tja, leuk, maar er moet nog wel het een en ander gebeuren. Er moet bijvoorbeeld nog een cover komen en – detail – het moet ook verkocht worden. Over een week heb ik een gesprek met de uitgever. Zij zorgen ervoor dat het boek wordt geregistreerd bij het Centraal Boekhuis, dat er een ISBN-nummer komt, dat het gemaakt wordt (print on demand en als e-book) en zo nog wat meer.
De marketing en pr liggen echter grotendeels in mijn handen – en laat dat nou net iets zijn waar ik niet in uitblink. Hopelijk komt dus ook dat ter sprake in het gesprek.

Zo lang ik nog niet mijn uitgever heb gesproken kan ik nog niet veel doen.
Wat ik dan in de tussentijd zoal doe? Los van wat freelancewerk, gezinsdingen en andere zaken waar u niets over wilt weten, ben ik een kort verhaal aan het schrijven voor een kleine (young adult thriller)schrijfwedstrijd, zodat ik blijf schrijven. Ik heb geen YA-aspiraties, maar het lijkt me gezond ook af en toe wat anders te doen.
Daarnaast lees, luister en discussieer ik bij de podcast Elder Sign, een soort weird-fictionclubje van twee docenten/schrijvers van Princeton University. Ze zijn best nieuwsgierig naar mijn bundel hoor, maar ik schrijf helaas alleen Nederlands, en verhalen laten vertalen is vooralsnog te duur voor mij.

Ik moet blijven lezen en muziek blijven luisteren voor inspiratie, anders zak ik te veel weg in de alledaagse saaiheid. Gisteren, in Elder Sign-verband, las ik weer eens een mooie zin, een die werd geroemd door Lovecraft, S.T. Joshi en Lord Dunsany zelf (want de zin komt uit zijn toneelstuk The Gods of the Mountain en blijkbaar was Dunsany niet al te bescheiden). En zo komen we uit bij de titel van dit stukje, dat ik daardoor toch nog wat minder saai heb kunnen maken. Speciaal voor u.

Een soort recensie

Het begint op te schieten met het proeflezen. Drie van de vier proeflezers zijn klaar met het lezen en becommentariëren van mijn verhalenbundel. Een van hen is de bekende pianist, Zappa-vertolker en schrijver Fred Händl (klik hier voor zijn website, en hier voor een gratis optreden van 28 seconden). Van dit bijzonder heerschap kreeg ik enkele dagen geleden de onderstaande mail en recensie in de typische stijl van Fred (voorzien van commentaar van mijn hand – alvast sorry daarvoor):

“Geachte heer Wagenaar, beste Dolf,
U vroeg mij een tijd geleden het nieuwe werk van uw hand te lezen – en aan de hand daarvan opmerkingen/suggesties/lof [‘kritiek’, Fred, ik zei ‘kritiek’!] of wat dies meer zij te spuien. Welnu, graag vertel ik u er het volgende over, in de vorm van een soort recensie. Daar mag u mee doen en/of laten wat u wilt.

Gepelde aarde – Dolf Wagenaar

Dolf Wagenaar schrijft in zijn nieuwe bundel korte verhalen nogal wat af. Woorden zoals niks, een, stellen en koffie vliegen de lezer her en der om de oren. Maar niet overal, hoor.

In een onlangs verschenen blog van de heer Wagenaar zelf, vraagt hij zich af wat hij eigenlijk heeft geschreven. Welnu, mevrouw/meneer, dat kan ik u vertellen. Meneer Dolf heeft een geweldige bundel geschreven. Niet enkel technisch gezien, maar fantastisch. Wát een boek! Wagenaar bestijgt met Gepelde aarde wat mij betreft onmiddellijk de troon der ‘Nederlandse Horror’ (of hoe je de stijl ook wilt noemen).

Als groot fan van Clive Barker, heb ik destijds (per ongeluk) een vertaling van The Great And Secret Show gelezen. Daarbij dacht ik drie dingen:
1. Is het verhaal zo slecht?
2. Is de vertaling zo slecht?
3. Nederlands is wellicht helemaal niet geschikt als taal voor horrorverhalen?
Ik heb nooit meer een Nederlandse vertaling, van welk boek dan ook, gelezen. En dat beviel prima.

Maar daar was dan opeens Gepelde aarde – horror (noot: waar ik horror schrijf, dient ook fantasy/fiction en nog zo van die niet non-fictie-labels gelezen te worden), horror in het Nederlands dus. Niet vertaald, maar uit eerste hand.

Het grappige is, dat ik geen flauw idee had. Toen Dolf mij vroeg of ik zijn nieuwe werk wilde proeflezen, voelde ik mij meer dan vereerd. Dé Dolf Wagenaar, die mij vroeg proef te lezen. Zonder te aarzelen ja gezegd, natuurlijk. Wel met aarzelen overigens, niet opgeschoten met lezen, door drukte vertraagd… [Fred was bezig met een prachtige muziektour door verschillende landen] Maar eenmaal begonnen, was ik bevangen en heb ik letterlijk [letterlijk?] met ingehouden adem gelezen.

Ik wist niet wat te verwachten, maar wat ik las, overtrof alles. Na nog geen twee pagina’s weet je het: dit is geen gewoon boek – en het zal je niet zo 1-2-3 weer loslaten. Ik was begonnen met de opdracht tevens ook te letten op taal- en stijlfouten, maar ik liet die rol vlug varen en verdronk in de prachtige schrijfstijl van Dolf. Schijnbaar alledaags, zeer nauwkeurig beeldend en onverminderd pakkend.

Ik heb het proeflezen dus losgelaten en me overgegeven aan de warme schoot van de gepelde aarde – en kan iedereen het boek, dat ik met alle sterren die er uit te delen zijn zal beoordelen, aanraden:
Spannend. Eng. Koude rillingen. En beelden die je, ook al heb je ze alleen maar gelézen, niet gauw meer van je netvlies zult zien verdwijnen.
Dolf Wagenaar schiet raak. In alle rozen. En ongewild… ook in die van u.

~ Fred”

Waarvoor dank, Fred.

Het is natuurlijk veel te veel lof en dit schept natuurlijk veel te hoge verwachtingen. Zelf zal ik nooit tevreden zijn met het resultaat: de verhalen zijn nooit precies zoals ik ze wil hebben, ik ben bang dat ze te kunstmatig zijn of juist te vulgair, te overdreven, te archaïsch, te onbegrijpelijk, te simpel. Maar het is fijn dat alle vier de proeflezers voornamelijk positief zijn over de bundel. Mijn vriendin is het meest kritisch. Ik ga deze week aan de slag met haar printjes van mijn bundel die gelukkig goed gevuld zijn met kriebels, al is het eerste kriebeltje, over de bundel als geheel, ‘heeeeeeeeeeeeeeel goed!’ – en daar krijg ik dan wel weer de kriebels van…

Foto: Fred Händl

Wat heb ik eigenlijk geschreven?

De eerste versie van mijn verhalenbundel is af. Eén proeflezer heeft de verhalen al van commentaar voorzien terwijl ik de bundel schreef, drie anderen zijn op dit moment bezig. Proeflezers kunnen natuurlijk taal- en stijlfouten en onduidelijkheden opsporen, maar ze doen veel meer dan dat. Ik heb ze bijvoorbeeld ook gevraagd hoe ze mijn verhalen zouden omschrijven. Wat heb ik eigenlijk geschreven?

De horror

Ik weet zelf niet precies wat ik geschreven heb. Mijn uitgever heb ik beloofd horror te zullen schrijven, al heb ik hem even later opgebiecht dat ikzelf niet precies meer wist welk genre het was – ik probeerde het met ‘een combinatie van horror, mystery, magisch realisme en existentialisme,’ al vond ik dat eigenlijk ook geen goede omschrijving.

Maar aspirant-lezers (en verkopers) willen toch graag een korte, duidelijke omschrijving. Kennissen en vrienden ook:

‘Maar Dolf, wat voor soort verhalen schrijf je dan?’

‘HORROR!’

Meestal volgde dan een gewenst antwoord (‘goh wat leuk’), waarna mij al dan niet expliciet werd duidelijk gemaakt dat het echter niet iets voor hem/haar was.

Uit de reacties van mijn proeflezers blijkt ook wel dat ik dit niet moet zeggen. ‘Het is wel een soort horror, maar ook weer niet’ of ‘het is een soort horror met een twist’. Mensen hebben verwachtingen bij horror. Die-hard horrorfans kopen misschien ten onrechte mijn boek. En mensen die het aardig zouden kunnen vinden, laten het wellicht liggen ‘omdat het horror is’.

Iets anders

Ik moet het dus anders noemen.

De proeflezers lieten me weten dat ik wel een duidelijke eigen stem heb (gelukkig). Daarbij komt dat ik (bijna) alle verhalen rond dezelfde gedachte heb geschreven. Maar het is ook duidelijk dat de verhalen qua setting en uitwerking duidelijk verschillen en daarmee misschien ook min of meer verschillen in hun ‘genre’.

Wanneer ik ga schrijven, ben ik eigenlijk altijd geïnspireerd door een boek, een muziekstuk of een kunstwerk. Dat beïnvloedt dan duidelijk het resultaat van mijn schrijven. H.P. lovecraft heeft ooit eens uitgeroepen: ‘There are my “Poe” pieces and my “Dunsany” pieces – but alas – where are any “Lovecraft” pieces?’ Ik ben zelf een beginnende schrijver en ontleen dus nog veel van mijn stijl en ideeën aan de schrijvers, musici en kunstenaars die ik bewonder. Originaliteit bestaat niet: al put ik ook uit mijn eigen ervaringen, alles dat ik schrijf komt stilistisch gezien bewust of onbewust uit alles dat ik als lezer, kijker en luisteraar consumeer. En wat ik consumeer en bewonder is elke keer weer wat anders.

Een label?

Ik zou een heel essay kunnen schrijven over mijn zoektocht naar een goede omschrijving, maar dat zal ik u besparen. Wel kan ik enkele genres noemen waarin, volgens labelaars, mijn inspiratiebronnen werkzaam zijn. Enkele voorbeelden:

  • Filosofische horror 
    Zo wordt het werk van Thomas Ligotti wel omschreven, al vallen bij hem ook de woorden nihilistisch, pessimistisch, dark, gothic en weird. Hoe dan ook is Ligotti een van mijn voornaamste inspiratiebronnen. Maar ja, ‘filosofische horror’ (of ‘existentialistisch’ of ‘absurdistisch’), het klinkt allemaal wel erg hoogdravend – ik ben per slot van rekening geen Harry Mulisch.
  • Weird  
    Naast wereldklassiekers (voor mijn literaire opvoeding, zeg maar), lees ik voornamelijk boeken die onder het kopje weird of new weird worden geplaatst. Voor veel mensen is weird synoniem voor Lovecraftiaans, maar het wordt al sinds Lovecraft deze term bedacht aan tal van andere werken gekoppeld. Denk daarbij aan (bepaalde) verhalen van Lord Dunsany, Poe, Arthur Machen, Kafka, Ambrose Bierce, Stephen King, William S. Burroughs, Haruki Murakami, Tanith Lee, Clive Barker, Mark Z. Danielewski, Caitlín R. Kiernan, China Miéville, Neil Gaiman, et cetera, et cetera – u ziet het vast al: het gaat om een grote groep zeer uiteenlopende schrijvers (al ontbreken de Nederlanders geheel – dat is wel een opvallend patroon). Weird fiction, hoe interessant ook, is geen genre. Het is eerder een set van verhalen met eenzelfde idee. Zoals de bekendste weird fiction-deskundige S.T. Joshi het verwoordt: ‘”the weird tale” is primarily the result of the philosophical and aesthetic predispositions of the authors associated with this type of fiction.’ Een interessant fenomeen, maar eigenlijk onbruikbaar als genrelabel, omdat het vrolijk door vele verschillende genres heen huppelt.
  • Magisch realisme en surrealisme  
    Ik probeer in mijn verhalen zeker een gevoel van vervreemding op te wekken, maar het aspect ‘angst’ blijft in deze labels onderbelicht. En wat te doen met Kafka? Volgens Camus is dat ware absurdistische literatuur. Maar dat klinkt, zoals gezegd, toch weer te hoogdravend, en al heeft Kafka mij beïnvloed, mijn verhalen zijn toch niet te vergelijken met die van Kafka.
  • Progressief, experimenteel, avant-garde
    Deze termen staan eigenlijk allemaal voor ‘vernieuwend’ (al dan niet stilistisch gezien). Zoals gezegd probeer ik dat zeker na te streven, maar ik mag hopen dat alle niet-commerciële schrijvers vernieuwend willen zijn. Want wat, behalve verkoopcijfers, zou anders de reden kunnen zijn dat je schrijft? Maar misschien ben ik wat dat betreft te veel verstrikt in mijn eigen idée-fix.

Gewoon ‘verhalen’?

Zogenaamde ‘genrefictie’ zou alle fictie zijn die gemakkelijk onder een label is te plaatsen. Het wordt vaak denigrerend gebruikt of juist als geuzennaam. Dit is natuurlijk onzin. Veel van de meest diepgaande en vernieuwende boeken die ik heb gelezen vallen onder deze zogenaamde ‘genrefictie’ (horror, sf, weird, fantasy…), terwijl menige hoogdravende ‘literatuur’ behoorlijk hol is onder zijn geaffecteerde laagje vernis, en vaak genoeg niet erg vernieuwend. Al met al lijkt het beter labels te vermijden om verkeerde verwachtingen te vermijden.

Gewoon ‘verhalen’ dan maar? Nee. Dat is en blijft te vaag. Moet ik misschien zelf een nieuw label bedenken (‘progressieve horror’)? Ik kom er zelf nog niet uit. Ik wacht af wat mijn proeflezers zullen zeggen. Wordt vervolgd.

Foto: Infrogmation of New Orleans – Own work, CC BY-SA 4.0, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=84192845

Page 2 of 2

Mogelijk gemaakt door WordPress & Thema gemaakt door Anders Norén